Met klassieke schoorsteen

Met klassieke schoorsteen

De verbrandingsgassen die de stookketel verlaten, hebben een temperatuur die varieert tussen 120°C en 180°C. Wanneer een gas wordt opgewarmd, gaat het uitzetten en wordt het dus ook lichter. De lucht die zich opwaarts in de schoorsteen bevindt en ook de buitenlucht hebben een lagere temperatuur en zijn dus ook zwaarder. De lichtere gassen hebben dan ook de neiging om te stijgen wanneer zij ondergedompeld zijn in zwaardere gassen. Hoe groter het temperatuursverschil tussen beide gassen, hoe beter de gassen zullen stijgen.

De trek

Eén van de zaken die een schoorsteen karakteriseert, is de trek of onderdruk. Hoe groter het temperatuursverschil tussen de verbrandingsgassen en de buitenlucht, hoe beter de trek en hoe beter ook de afvoer zal gebeuren. In de zomer zal een schoorsteen dan ook minder trek hebben dan in de winter.

De trek wordt niet alleen bepaald door de temperatuur, maar ook door de hoogte van het afvoerkanaal. Hoe hoger de schoorsteen, hoe hoger de trek zal zijn. Uiteraard moet de hoogte ook beperkt blijven, want hoe hoger het schoorsteenkanaal, hoe langer de verbrandingsgassen er kunnen verblijven.

Condensatie

Hoe hoger het schoorsteenkanaal, hoe langer de verbrandingsgassen er kunnen verblijven. Daardoor hebben de verbrandingsgassen ook meer kans om af te koelen, wat kan leiden tot condensatie in de schoorsteen. De temperatuur waarbij de waterdamp in de rookgassen vloeibaar wordt noemen we het waterdauwpunt. Het waterdauwpunt voor stookolie bevindt zich op ongeveer 45°C.